Beknopte geschiedenis Koninklijke Vriendenkring Energiebedrijven - Gent  --> Viering 75-jaar

 

Het begin

 

De oprichting van de Koninklijke Vriendenkring der Energiebedrijven – Gent is sterk verbonden met de elektrische Centrale van Langerbrugge, de “Cantine”, het “Casino” met de “Cité Jardin Herryville” en de velodroom.

In opdracht van de toenmalige directeur, Léopold Herry, van de C.E.F (Centrales Electriques des Flandres), werd de “Cité Jardin Herryville” gebouwd in 1927.

De inhuldiging vond reeds plaats in 1928, zoals het opschrift op de toegangspoort aangeeft.

Het was bestemd als afzonderlijke woonbuurt voor kaderpersoneel en meestergasten van de centrale.

Het ontwerp was van de Brusselse architect Eugène Dhuicque, die overigens ook de elektriciteitscentrale tekende en de betonnen velodroom.

Het concept beantwoordt aan de principes van de Engelse “Garden City”.

De tweegezinswoningen zijn ingeplant in een groene omgeving en omringd door sport- (velodroom, tennisvelden en zwembad) en ontspanningsinfrastructuur (Cantine, club Casino).

De velodroom evenals de “Cantine” werden gebouwd in 1929.

De Buffalorenbaan van Parijs stond model voor de kuipvormige velodroom van Langerbrugge. Hij werd opgetrokken voor en door de werknemers van de C.E.F.

De eerste wielerwedstrijd werd verreden in 1930. De bloei van de velodroom duurde een viertal jaren. In deze periode wisselden pistemeetings af met liefdadigheidsmeetings ten voordele van de pas gestichte parochie Langerbrugge en de op 26 juli 1932 jammerlijk verongelukte renner Edmond Caus uit Gent.

Dit is het enige dodelijke ongeluk dat op de velodroom heeft plaatsgevonden.

In 1932 eindigde hier de 4e rit uit de Ronde van Vlaanderen voor onafhankelijken.

 

 

De “Cantine” met velodroom

Op de achtergrond Herryville met het Casino

 

Het ontstaan van de Koninklijke Vriendenkring Energiebedrijven Gent dateert uit de meidagen van het jaar 1935, toen de CEFB ­Centrales Electriques des Flandres et du Brabant - nog niet was opgegaan in het grotere EBES-geheel (dit zou pas 21 jaar later gebeuren), maar nog een van de meer dan twintig onafhankelijke elektriciteitsmaatschappijen was, die toentertijd in België bestonden.

 

Grondleggers van de vereniging waren ontegensprekelijk de voetballiefhebbers die, met het akkoord van de directie, over­gingen tot de stichting van FC "CEFB" om aan de sportieve leden van het personeel toe te laten op een actieve manier hun geliefkoosde sport te beoefenen.

 

Men werkte toen nog onder het stelsel van de 48-urenweek, zes dagen van elk acht uur, en er was dus een speciale toelating nodig van de directie om op zaterdagnamiddag de spelers vrij te maken voor het spelen van een match. De directie deed echter beter. Ze bezweek voor het argument dat deze sportieve figuren ook een aanmoediging verdienden naar de maat van hun kunnen en zo werden alle supporters van FC "CEFB" de zaterdagnamiddag van dienst vrijgesteld. Er werd meteen een flink gat getrapt in de muur van de 48-urenweek, waardoor men zicht kreeg op de geneugten van de Engelse week" (vrije zaterdagnamiddag), voorloper van onze huidige vijfdagenweek.

 

Wij moeten ten andere aannemen dat toentertijd in het Gentse de tijden rijp waren voor dergelijke initiatieven. Ook bij enkele andere grote bedrijven zoals S.E.M. (nadien ACEC), U.C.B. en SHELL werden bedrijfsvoetbalploegen opgericht en met het oog op het organiseren van een geordende competitie werd, overgegaan tot de oprichting van het Corporatief Voetbal Verbond van Oost-Vlaanderen.

Tijdens het eerste speelseizoen 1935-1936 werd gespeeld op een terrein in de Heiveldstraat te Sint-Amandsberg maar vanaf het tweede jaar werd een overeenkomst afgesloten met F.C. Meulestede en op het terrein van deze ploeg werden enkele van de meest memorabele matchen uit de vroegste geschiede­nis van de toenmalige FC "CEFB" gestreden.

 

Van bij de aanvang bleek vlug dat de geest van kameraadschap stukken breder lag dan de afmetingen van een voetbalterrein.

 

Reeds op 9 november 1935 greep een eerste souper plaats in café ”1'Entente" en op 10 januari werd een feestcomité in het leven geroepen onder leiding van de heer Jules Deleu, dat reeds op 22 maart 1936 een uiterst geslaagd en gezellig feest organi­seerde in de zaal "Werken en Leren" te Meulestede.

 

In november 1936 nam Charles Braun het initiatief tot het oprichten van een biljartclub, gevestigd in het "Cafe du Pro­qres" op de Koornmarkt en die tot aan het uitbreken van de oorlog een zeer grote bloei kende.

 

Een andere activiteit die met de oorlog verdween, was de afdeling cyclo-toerisme, gesticht door Germain Beernaert, een ongekende en dus miskende voorloper van de huidige afdeling wielertoeristen die in 1980 eenzelfde activiteit zal opnemen, zij het dan met een gesofistikeerd materiaal waarvan de mannen uit de dertiger jaren niet eens konden dromen.

 

In de loop van 1937 werd onder impuls van Marcel Burggraeve met eigen personeel een amusementsgroep opgericht onder het motto: "Voor de CEFB en door de CEFB". Gedurende bijna een kwarteeuw zal deze groep een rijk assortiment brengen aan operettes, sketches, variété en ballet in de betere traditie van het volkse amusement.

 

Naast die vele initiatieven, die vooral gericht waren op een kameraadschappelijke beleving van de vrije tijd, kende men van in het begin een zeker sociaal streven dat erop gericht was niet het loon zelf maar wijde koopkracht van het loon te verhogen. Er werd actie gevoerd bij de winkels in de stad en tot op het kaartje voor de cinema toe werd een korting bekomen!

 

Zeker in de eerste helft van het bestaan van de Vriendenkring werd dit soort activiteiten, zoals wij verder zullen zien, sterk opgevolgd en het is slechts naarmate de loonsvoorwaarden verbeterden dat er minder belang werd aan gehecht.

 

Een initiatief uit de pioniersjaren, was het begrafenisfonds. Oorspronkelijk voorbehouden aan de leden van de Vriendenkring, werd het later uitgebreid tot het ganse personeel. Het fonds had tot doel aan de nabestaanden van overleden personeelsleden een bedrag over te maken als financiële steun in dan toch wel moeilijke momenten. Gezien in het licht van een tijd waarin de sociale voorzieningen nog niet zo uitgewerkt waren als tegenwoordig, was dit beslist een vooruitstrevend initiatief.

 

Uit dit alles blijkt dat de jonge vereniging overliep van zelfver­trouwen en initiatief. Zij zocht voortdurend haar activiteiten in de meest verscheiden richtingen uit te breiden en zo liet zich de noodzaak gevoelen te beschikken over een statuut dat het mogelijk maakte activiteiten uit te oefenen waarvoor de rechts­persoonlijkheid noodzakelijk was.

 

Op 25 februari 1939 werd dan ook overgegaan tot de oprichting van een vereniging zonder winstgevend doel met als benaming “Amicale des Centrales Electriques des Flandres et du Brabant et Sociétes Annexes" en artikel 1 van de statuten voorzag uitdrukkelijk dat deze vereniging in feite de voortzetting was van de groepering van personen, zonder rechtspersoonlijkheid, gesticht op 1 mei 1935 onder de benaming “Amicale Sportive des Centrales Electriques des Flandres et du Brabant et Sociétés Annexes".

 

Uit de oorspronkelijke benaming was dus enkel het woord "Sportive" weggevallen, niet omdat de sport uit de vereniging verdreven was, maar om aan te duiden dat voortaan het doel van de vereniging zich niet enkel meer beperkte tot sportactivi­teiten. Na een korte aanlooptijd van nog geen volle vier jaar was de oorspronkelijke voetbalclub uitgegroeid tot een volwaardige personeelsvereniging met een gezonde structuur en even gezonde ambities.

 

Artikel 3 van de statuten bepaalde dat de vereniging een ontspanningskring vormde en dat haar maatschappelijk doel dus uitsluitend gericht was op ontspanning. Hierbij stond sport vooraan, maar ook het organiseren van reizen en uitstappen in groep, zowel als muziek, letterkunde en toneel, werden uitdruk­kelijk vermeld bij de activiteiten.

 

Doorheen de ganse geschiedenis van de Vriendenkring loopt als een rode draad de warme bekommernis waarvan de directie steeds blijk heeft gegeven.

 

Niet enkel de materiele, maar ook - en vooral - de morele steun van de hoogste directie is steeds een sterke stimulans geweest bij het uitbouwen van de veelvuldige activiteiten van de Vriendenkring. Aan het beschikbaar stellen van sportinfra­structuur, aan de oprichting van een of andere onderafdeling, aan zoveel wisselbekers, is onverbrekelijk de naam verbonden van een persoonlijkheid uit de prestigieuze rij van directeurs die de onderneming en de Vriendenkring hebben grootgemaakt.

 

De stichtende ploeg, die de toekomst tegemoet zag met het nodige vertrouwen doch ook met een realistische dosis aan bezorgdheid, zag in het jaar 1939 de vrede in Europa wankelen op het scherp van de politiek-ideologische tegenstellingen.

 

I n de herfst van het jaar 1939 klonk het eerste schot van een oorlog die onafwendbaar was geworden. De jongere bestuursleden trokken, zoals de meeste jonge mannen van hun generatie, met het leger het onbekende tegemoet.

 

De donkere jaren

 

De oorlogsjaren betekenden voor gans Europa letterlijk en figuurlijk een donkere tijd. Als bescherming tegen mogelijke luchtaanvallen werd overal de openbare verlichting gedoofd. Alle ramen dienden zodanig te worden afgeschermd zodat van buitenaf geen enkel streepje licht merkbaar was, Onze pleinen, straten en wegen waren in de diepste duisternis gehuld en na het ingaan van de avondklok lagen zij er eindeloos verlaten bij.

 

Mobilisatie, krijgsgevangenschap, verminking, dood en depor­tatie tekenden de bevolking naar lichaam en geest. Bij de bevolking heersten gevoelens van onzekerheid en onveiligheid. Het bevredigen van de meest elementaire levensbehoeften werd voor iedereen een primaire zorg en het aanvullen van de ontoereikende officiële rantsoenen werd in de meest vindingrijke

“doe-het-zelf-stijl” een bittere noodzaak.

 

Het kon niet anders of de activiteiten van de jonge Vrienden­kring zouden door die buitengewone omstandigheden ingrij­pend beïnvloed worden.

De ontspanningsactiviteiten werden door de oorlogsomstandig­heden flink teruggeschroefd. Wij hebben gezien dat de afdelin­gen biljart en cyclo-toerisme hun werking staakten.

Ook FC CEFB diende in te binden. In het eerste oorlogsjaar werd door het Corporatief Verbond van Oost-Vlaanderen nog een soort noodcompetitie ingericht, maar op 12 juni 1941 besloot FC CEFB voorlopig haar bedrijvigheid stop te zetten.

 

Opmerkelijk was wei de oprichting, op 24 februari 1940, van een basketbalploeg. De nieuwe afdeling was echter geen lang leven beschoren. In 1940 werd een wedstrijd betwist ten voordele van het "pakje van de soldaat", maar al in de loop van 1941 werd alle activiteit stopgezet.

 

Het “pakje van de soldaat" was een van de vele soci­ale initiatieven, die zo kenmerkend waren voor de solidariteit die heerste onder de personeelsleden in het algemeen en onder de leden van de Vriendenkring in het bijzonder.

 

Met de ruime geldelijke steun van de directie werd in het jaar 1940 een totaal van 168 pakjes gestuurd aan gemobiliseerden en krijgsgevangenen, voor een gezamenlijke waarde van

8.611 BEF.

De ganse duur van de oorlog werd gezorgd voor Sinterklaasge­schenken voor de kinderen van krijgsgevangen personeelsle­den en voor de oorlogswezen.

Bij de beëindiging van de actie "pakje van de soldaat" werden de resterende financiële middelen gebruikt voor een steunactie aan vijf oorlogsweduwen en zes wezen.

Een afvaardiging van de Vriendenkring was aanwezig bij de overbrenging van die personeelsleden die als soldaat gesneu­veld waren, waarbij voor een passende bloemenhulde werd gezorgd. Tijdens de oorlog en nog vele jaren nadien, telkens met Allerheiligen, werd op de graven van de gesneuvelden een ruiker bloemen neergelegd in piëteitsvolle nagedachtenis aan deze ongelukkige werkmakkers.

 

Naast de vele initiatieven, die getuigen van een zekere vaderlandslievende inspiratie, ging onze aandacht nog naar enkele andere projecten die meer gericht waren op de lotsver­betering van het ganse personeel, in het bijzonder de voedselvoorziening.

Zo werd op 26 januari 1941, na ruggespraak met de heer Freyman, directeur van de centrale van Langerbrugge, overge­gaan tot de stichting van de afdeling “Het Hoekje Grond".

Alle aan de rand van de centrale liggende gronden werden onder alle personeelsleden verdeeld, zodanig dat iedereen het karige rantsoen kon aanvullen met zelfgekweekte aardappelen en groenten. De onverbeterlijke rokers kweekten er zelfs hun tabak.

De Vriendenkring zorgde voor een reeks boeken hande­lend over landbouw en verschafte het nodige plantgoed. Verder slaagde de Vriendenkring erin, dank zij discrete contracten met enkele grote polderboeren, een supplementaire aardappelbe­voorrading te verzekeren.

 

Eveneens op aandringen van de Vriendenkring kende de direc­tie, in het jaar 1942, een belangrijke prijsvermindering toe op de elektriciteitsprijs aan die personeelsleden die in Gent of het omliggende woonden.

 

Wij hebben het hoofdstuk over de oorlogstijd "de donkere jaren" genoemd. Veel van de gewone activiteiten van de Vriendenkring gingen ten onder in de crisissituatie geschapen door de oorlogsomstandigheden. Tegen de achtergrond van doffe ellende en zwarte ontbering heeft de Vriendenkring onte­gensprekelijk uitgeblonken door warme kameraadschap en lichtende solidariteit.

 

Een nieuwe adem

 

In het eerste jaar na de oorlog vallen nog geen sportactiviteiten te signaleren. De sportwereld was door de oorlog en haar nasleep totaal ontredderd en vele sporttakken verkeerden dan ook in volle reorganisatie.

 

De eerste afdeling die volgens de archieven haar activiteiten hernomen heeft, is de amusementsgroep onder leiding van Marcel Burggraeve. Deze onverbeterlijke optimisten verstonden de kunst om de dagelijkse zorgen weg te lachen met een of ander knotsgek nummer. Niet enkel de leden van de Vrienden­kring profiteerden van hun aanstekelijke levensblijheid.

Liefda­dige werken, instellingen voor ouden van dagen, oudstrijdersverenigingen deden meer dan eens een beroep op hun mede­werking, altijd tot grote vreugde van spelers en toeschouwers.

 

De eerste jaren na de oorlog waren gekenmerkt door schaarste. Letterlijk van alles ontbrak: van zeep tot fietsbanden en textiel. De vraag was groot en het aanbod beperkt. Dit had zijn (nadelige) invloed op het peil van de prijzen.

 

Daarom werd in 1945, overge­gaan aan tot de oprichting van een economaat, dat tot doel had de personeelsleden en hun familieleden te helpen bij het aanschaffen van allerhande goederen tegen interessante voor­waarden. Daarmee werd een nieuwe activiteit toegevoegd aan de sociale inzet van de Vriendenkring.

 

Gezien de linnenvoorraad na de oorlog bij iedereen uitgeput was, werd begonnen met de verkoop van textiel. Bij de textielbedrijven, klanten van ECVB, kon gekocht worden tegen fabrieksprijs. Spoedig werd ook begonnen met de verkoop van wijnen en likeuren, ieder lid moest minstens een aandeel van 100 fr. onderschrijven. ECVB stelde een lokaal, een zaakvoer­der en inpakpapier ter beschikking, zodat kon gewerkt worden zonder algemene kosten.

Dit liet toe aan de leden vergoedingen uit te betalen:

- voor de kapitaalinbreng een intrest gelijk aan de rentevoet van de A.S.L.K.;

- op het einde van het dienstjaar een ristorno van 9 % op het bedrag van de aankopen.

 

De werking van "CEFCO" werd door het personeel ten zeerste op prijs gesteld en er waren dan ook jaren dat het zakencijfer meer dan 1.000.000 BEF bedroeg.

Deze activiteit zal slechts noodgedwongen ophouden te bestaan na het uitvaardigen van een wet waarbij het aan de nijverheidsondernemingen verboden werd geldelijke steun te verlenen aan economaten beheerd door het personeel.

 

In hetzelfde jaar 1946 werd ook het begrafenisfonds terug in het leven geroepen.

 

Het is pas vanaf 1947 dat de sportactiviteiten terug hun plaats innamen in de werking van de Vriendenkring.

 

Op 21 september 1947 werd overgegaan tot de oprichting van een zwemgroep met de actieve medewerking van Louis Van Parijs, ex-wereldkampioen en telefonist van de centrale van Langerbrugge, die met zijn onvervangbare ervaring optrad als technisch raadgever.

 

Op 2 oktober 1949 ten slotte vinden wij in de archieven de feestelijke inhuldiging terug van een eigen sportterrein in de "piste" van Langerbrugge. De aardappelen, groenten en tabak waren daar, samen met “Het Hoekje Grond", dank zij de sterk verbeterde levensomstandigheden, verdwenen en in de plaats daarvan was met een erg gewaardeerde financiële tussenkomst van de onderneming, een mooi uitgerust voetbalveld aange­legd. Eindelijk, na zoveel jaren, speelde FC CEFB thuis op eigen terrein.

 

Ook op ontspanningsgebied was er weer vaart gekomen in de activiteiten.

Ook sociaaleducatieve voordrachten wer­den gehouden zoals over de sociale verzekering “tegen ziekte" of over "ouderdomspensioenen".

 

Wij mogen gerust stellen dat de Vriendenkring, in die eerste jaren na de oorlog, de hem door die oorlog opgelegde beper­kingen, zeer vlug en op een dynamische manier is te boven gekomen.

Als verklaring voor dit onbetwistbare succes zien wij:

 

- de algemene behoefte bij de bevolking om de herinneringen aan de donkere

   oorlogsjaren van zich af te schudden door op het gebied van ontspanning als het

   ware de verloren tijd in te halen;

- samenhorigheidsgevoel dat door vele initiatieven van de Vriendenkring was

   aangewakkerd;

- de uitstekende verstandhouding tussen de directie van de onderneming en de

   verantwoordelijken van de Vriendenkring; een uitgesproken zin voor initiatief zowel

   bij het bestuur als bij de leden van de vereniging.

 

 

 

 

 

Jaren van overgang

 

Er zijn meerdere redenen om de vijftiger jaren te beschouwen als overgangsjaren. In die jaren immers onderging de Vrienden­kring de invloed van verschillende grote maatschappelijke wijzigingen, die een sterke stempel drukten op zijn activiteiten en organisatie.

In die periode evolueerde het land van de schaarste-economie van de naoorlogse tijd naar de overvloed van de consumptie­maatschappij in de "golden sixties". Langs andere kanalen werd actie gevoerd voor de verhoging van het loon zelf, zodat activiteiten van de Vriendenkring, die specifiek gericht waren op de verhoging van de koopkracht, geleidelijk aan belang begonnen te verminderen.

 

Daardoor ging onvermij­delijk de nadruk meer liggen op de werking in de afdelingen, zodat van dan af de geschiedenis van de Vriendenkring stilaan de geschiedenis wordt van de activiteiten in de verschillende groepen.

 

Eveneens in de jaren '50 voltrok zich de overgang naar een Vriendenkring waarin het oorspronkelijke overwicht van de Distributie geleidelijk gecompenseerd werd door een grotere inbreng van de Productie. Want al waren er vanaf de beginpe­riode inspanningen geleverd om het personeel van de Productie bij de activiteit van de Vriendenkring te betrekken, ondermeer door het ter beschikking stellen van beheersmandaten in de Raad van Bestuur van de Vriendenkring, toch kan niet geloo­chend worden dat in de eerste kwarteeuw van zijn bestaan de Vriendenkring hoofdzakelijk dreef op initiatieven en activiteiten uit de hoek van de Distributie.

Tekenend voor deze accentverlegging is het feit dat van de vele nieuwe afdelingen die in deze periode werden opgericht, de meeste (en niet van de minste) ontstonden bij de Productie.

 

Zo werd in 1950, op initiatief van directeur José Ryffranck, overgegaan tot de oprichting van de Sint-Eligiusgilde. Bij gebrek aan een eigen, traditionele patroon­heilige voor de elektriciteit, plaatste de nieuwe afdeling zich onder het beschermheerschap van Sint-Elooi, schutspatroon van smeden en metaalbewerkers. Doel van de afdeling was immers niet de beoefening van een of andere sporttak, maar het scheppen van een gezonde groepsgeest onder al de mensen van de centrale.

 

Als eerste in de rij van de thans bestaande sportafde­lingen van Langerbrugge-Rodenhuize ontstond op 8 maart 1957 de boogschuttersafdeling die na een jaar werking al 140 schutters zou tellen, ingeschreven volgens de plaats van hun tewerkstelling in de centrale: kabelploeg, onderhoud, turbinezaal, Benson, maar ook schilderachtiger als de zender­boeren, de koolboeren, de kelderratten, enz ...

Op 21 juni 1958 trok de afdeling in drie volle autocars naar de Expo in Brussel om er met succes onze kleuren te verdedigen in het Corporatief Kampioenschap van België.

 

In 1958 werd in de centrale van Langerbrugge, een afdeling Duivenliefhebbers gesticht.

Nog altijd in Langerbrugge, maar dan in 1959, werd overgegaan tot de oprichting van een biljartclub evenals een afdeling liefhebbersvoetbal.

 

Ondertussen zal het iedereen wel duidelijk geworden zijn dat er te Langerbrugge wat meer leven in de brouwerij was gekomen. Maar ook te Gent had men gedurende al die tijd niet stil gezeten. Ook daar werden, zoals wij verder zullen zien, een paar nieuwe afdelingen opgericht.

 

 

Gedurende gans deze periode werden de al bestaande sociale acties verdergezet: begrafenisfonds, afsluiten van gezamenlijke en zeer voordelige verzekeringspolis­sen, het bekomen van reducties bij winkels in de stad Gent, enz ...

 

De basketbalafdeling dreigde slachtoffer te worden van haar jeugd. Wij lezen immers in de archieven dat "deze anders bloeiende afdeling in de onmogelijkheid was verder actief te zijn ingevolge de heroproeping in militaire dienst van meerdere spelers".

 

In diezelfde periode echter ging de zwemafdeling rimpelloos ten onder.

 

Langs de kant van de ontspanning was er aan activiteit helemaal geen gebrek. Voordrachten, bedrijfsbezoe­ken, culturele en toeristische uitstappen, filmvoorstellingen, kaarttornooien volgden elkaar in een lange, ononderbroken rij op.

Ook de amusementsgroep bleef in deze periode zeer actief met voorstellingen van ondermeer "Het Witte Paard", "Victoria en haar Huzaar", "Adam in ballingschap" (alles natuurlijk in aangepaste en verbeterde versie). In gans deze periode bleek een enorme behoefte aan “gezellig samenzijn" en de Vrienden­kring richtte tot twee bals per jaar in.

 

In 1958 werd te Gent de afdeling biljart opgericht. Nog in hetzelfde jaar werd de fotoclub geboren. Dankzij de morele steun van directeur Albert Schepens, die zelf een verwoede

fotograaf was, bloeide de club al in haar eerste jaar tot een volwaardige afdeling met een jaarlijkse tentoonstelling.

 

De fotoclub bracht niet alleen zijn eigen jaarlijks fotosalon, maar nam ook deel aan nationale en internationale fotosalons. De naam "Fotoclub Ebes Gent" werd bekend in meerdere landen van de wereld.

 

Wij wezen er al op dat de vijftiger jaren konden bestempeld worden als jaren van overgang. Over de bijzonderste over­gang echter, de overstap van CEFB/ECVB naar EBES in 1956 hebben wij nog niets gezegd.

 

De Vriendenkring werd meteen opgenomen in een groter geheel en voorzitter Gustave Devigne stelde met zijn gekende onder­nemingslust onmiddellijk voor onderhandelingen aan te knopen met de bestaande vriendenkringen van de gefusioneerde maat­schappijen om al deze verenigingen samen te brengen onder één enkel EBES-vaandel en onder de hoede van een hoofdbestuur.

 

Deze voorstellen werden met veel enthousiasme ontvangen en Gustave Devigne werd, als eerste voorzitter van het hoofdbe­stuur, gelast met het aanhalen van de vriendschapsbanden tussen alle EBES-zetels van Oostende tot Mol.

Onmiddellijk werden sportieve ontmoetingen georganiseerd met Antwerpen en Brugge en in de kortste keren werd de verbroedering tussen de drie zustersteden een feit.

 

Reeds toen werd de grondslag gelegd voor de interzeteltor­nooien die zouden uitmonden in "EBES ZONDER GRENZEN".

 

 

 

 

 

Verdere ontplooiing

 

Vooraleer in 1960 de tweede kwarteeuw van zijn bestaan aan te vatten, nam de Vriendenkring met glans en luister afscheid van de eerste 25 jaar. Het feestprogramma omvatte een mis ter nagedachtenis van de overleden leden, waar behalve de voltal­lige Raad van Bestuur en heel wat belangstellenden, ook de ganse lokale EBES-directie vertegenwoordigd was.

Verder werd een academische zitting gehouden, een groot banket en een monsterbal bij Fritz in de Veldstraat. Die thans verdwenen salons Fritz waren een begrip in het chique Gent van toen en ook in EBES-kringen, want daar werd in die tijd de traditionele nieuwjaarsreceptie aangeboden.

 

Maar er werd in dit jaar niet enkel achterom gekeken. Er werd ook getimmerd aan de toekomst. Wij hebben gezien hoe in de voorbije periode het personeelsleven te Langerbrugge in een stroomversnelling was terecht gekomen. Men vond dat de tijd gekomen was om die onstuimige vloed te kanaliseren en onder impuls van directeur José Ryffranck werd overgegaan tot de oprichting van een Lokale Commissie die zich tot doel stelde de te Langerbrugge gebaseerde activiteiten te stimuleren en te coördineren. De verschillende activiteiten van de Vriendenkring waren zo veelomvattend en het aantal afdelingen zo groot geworden, dat er een gebrek aan communi­catie ontstaan was tussen bestuur en sommige afdelingen. De Lokale Commissie voorzag dus werkelijk in een lokale behoefte.

 

Naarmate het aantal afdelingen in de jaren die volgden nog zou toenemen, werd er voortdurend naar gestreefd de band tussen de Raad van Bestuur en de afdelingen te optimaliseren en te komen tot een evenwichtige vertegenwoordiging van Distributie en Productie.

 

Eerst werd de Raad van Bestuur uitgebreid met leden van de Lokale Commissie.

Later, in 1977, werd met een statutenwijzi­ging, de evenredige vertegenwoordiging verzekerd van Distri­butie en Productie in de Raad van Bestuur. Nadat eveneens in 1977, door voorzitter De Buysscher, te Gent ook een Lokale Commissie voor de Distributie was opgericht, waren alle ele­menten aanwezig voor de nieuwe organisatievorm.

 

Terwijl het bestuur worstelde met deze organisatorische proble­men, bleef de activiteit te velde onverminderd doorgaan.

 

De voetbalploeg, ondertussen omgedoopt tot FC EBES, kende mooie en minder mooie dagen, met een onbetwistbaar hoogte­punt in het seizoen 1968-1969, toen zij kampioen speelde in de Eerste Afdeling van het Corporatief Verbond Oost-Vlaanderen.

 

De amusementsgroep echter moest, na bijna gedurende 25 jaar onverdroten voor de luimige noot te hebben gezorgd, de lier in de wilgen hangen. Daarmee werd een stuk Vriendenkring­folklore tot levendige en onuitwisbare herinnering.

 

Maar voor één afdeling die verdween, kwamen er wel zes in de plaats.

 

Zo werd op 1 juni 1961 overgegaan tot de oprichting van E.K.S. (EBES Karabijnschutters). Op een eerste, geïmprovi­seerde schietoefening mikte men op ... luciferdoosjes. Onder­tussen is E.K.S. uitgegroeid tot een volwaardige schuttersclub met een opmerkelijk groot aantal vrouwelijke schutters.

 

In 1962 volgde, eveneens te Langerbrugge, de oprichting van een fotoclub.

Vanaf 1966 werd ieder jaar door deze afdeling een fotosalon ingericht, dat zich steeds op een warme belangstelling mocht verheugen.

 

Eveneens in 1962, maar dan te Gent, werd overgegaan tot de oprichting van een kaartersclub. Er bestond al een lange traditie van bridge-tornooien die werden ingericht in enkele bekende cafés van Gent, Toen echter het EBES-gebouw langs de kant van de Hofstraat werd gebouwd en men daarmee de beschikking kreeg over het auditorium op de vierde verdieping, werd besloten de kaartersactiviteit daar te laten doorgaan als een activiteit van een volwaardige afdeling van de Vrienden­kring. In de loop van de jaren was ook de belangstelling voor het bridgen verzwakt zodat men besliste zich toe te leggen op de Whistdrive. Tot op de dag van vandaag mogen de kaartna­middagen van de club zich verheugen in een grote belangstel­ling.

 

Nog te Gent volgde dan, in 1964, de start van de BJA - de Blijf Jong Actie - met een yoga-afdeling, een turnafdeling en een zwemafdeling. In 1965 al verdween de yoga en in 1969 het turnen.

 

Ondertussen was de bowlingsport opgekomen en de leden van de Vriendenkring, steeds mee met hun tijd, aarzelden niet om maar liefst drie bowlingclubs op te richten te Sint-Martens­Latem (ondertussen terug naar af), te Overmere-Donk (nu Lochristi) en te Eeklo (Meetjesland).

De bowlingclub Meetjesland ontstond in 1964 en was in feite gegroeid uit een reeks bowlingwedstrijden tussen de patroon-elektriekers van het Meetjesland en het EBES-perso­neel.

De bowlingclub Overmere-Donk volgde enkele maanden later, begin 1965, met de uitgesproken bedoeling de personeelsleden van de distributiesectoren Wetteren, Lokeren en Zele en hun gezins­leden geregeld samen te brengen.

Ondertussen hadden zich in de centrale van Langerbrugge enkele personeelsleden toegelegd op het kweken van inheemse en uitheemse vogelsoorten. Niet zonder succes trouwens, zodat regelmatig nationale en zelfs internationale prijzen gewonnen werden. Dit was voldoende aanleiding om in 1967 over te gaan tot de oprichting van een afdeling Vogelliefhebbers.

Langerbrugge hield het blijkbaar bij de beesten want in 1970 werd overgegaan tot de oprichting van een afdeling Hondenlief­hebbers.

Marcel Rooms, bekend van zijn optreden op Expo ’58 was de “apache” van dienst.

 

In 1964 had het stilaan vergrijzende personeelsbestand, met de oprichting van de centrale van Rodenhuize, een flinke injectie van jong bloed gekregen. De nieuwe personeelsleden hadden zich vooral aangesloten bij de afdelingen met basis Langer­brugge, zoals het liefhebbersvoetbal, de fotoclub, de karabijn­schutters, enz ...

 

Op 5 mei 1971 werd te Rodenhuize overgegaan tot de oprichting van een tennisclub onder het voorzitterschap van Stan Ulens en al een maand later werd het terrein, dat door de directie van de centrale Rodenhuize ter beschikking werd gesteld, officieel in gebruik genomen.

 

De aanwervingstop die zo tekenend was voor het personeels­beleid van de onderneming tijdens het grootste deel van de zeventiger jaren, zorgde voor een verdere vergrijzing van het ledenpotentieel.

 

 

 

 

de “Cantine” tot 1974

 

In 1974 werd het nieuwe “Clubhouse” in gebruik genomen en de oude “Cantine” afgebroken.

De inrichting was niet meer representatief voor de beoogde functie. De middagmalen voor de personeelsleden werden sinds enige jaren niet meer verstrekt in de “Cantine” en de negentien logeerkamers werden bijna niet meer gebruikt. Ook was de inrichting verouderd en opgeleefd.

Een volledig nieuwe tuinaanleg werd verzorgd rond “Clubhouse” en sportterreinen.

 

 

Ingang van het nieuwe “Clubhouse”

 

 

 

 

Nog enkele beelden van ons “Clubhouse”

 

 

 

Het voetbalterrein

 

 

 

De tennisterreinen

 

In 1974 wordt te Langerbrugge een boldersclub opgericht.

Met de gewaardeerde medewerking van de directie van de centrales van Langerbrugge en Rodenhuize werd, met ver­eende krachten van enkele bolliefhebbers, een eerste rolbaan aangelegd in het schutterslokaal gelegen aan het club­huis EBES te Langerbrugge.

Als gevolg van het toenemende aantal leden en de vele EBES-gepensioneerden die geregeld twee ­tot driemaal per week hun geliefde hobby kwamen beoefenen, bleek één rolbaan al vlug ontoereikend. In 1977 werden twee buitenbanen aangelegd. De verbouwingswerken in 1979 van het bestaande schutters- en rolbaanlokaal lieten toe nog eens twee bijkomende rolbanen aan te leggen.

 

In 1975, valt de oprichting te noteren van EBESPHILlA, een afdeling voor postzegelliefhebbers

Eveneens in 1975 werd door een krachtdadige reanimatiepo­ging van het bestuur van de Vriendenkring de schaakclub tot nieuw leven gewekt.

 

Ook in Rodenhuize werd in oktober 1977overgegaan tot de stichting van een vissersclub die zich zeer vlug mocht verheugen in een grote belangstelling.

 

Nog in Rodenhuize, 16 jaar na de oprichting van de centrale, dreigde een begin van vergrijzing. Enkele ploegwerkers kwa­men tot de vaststelling dat de buikjes steeds ronder en de beentjes steeds slapper werden. In 1980 besloten zij dan een afdeling Wielertoerisme op te zetten.

 

In 1985 werd een Dans­club opgericht. Naast hun wekelijkse oefenavond nemen zij ieder jaar deel aan het “Bal 1900” op de Kouter tijdens de Gentse Feesten.

 

Sporten die door de media aan belangstelling wonnen leiden tot de oprichting in 1987 van een Snookerafdeling, in 1989 een Badmintonclub en nog in 1993 een Surfclub “Electrasurf”.

Sommige clubs die ontstonden door tijdelijke modeverschijnselen verdwenen al na enkele jaren.

 

De vorming van Electrabel door de fusie van EBES, INTERCOM en UNERG veroorzaakten weinig verandering in de structuur van de Vriendenkring.

Anders was het bij de reorganisatie van Electrabel bij het vrijmaken van de Elektriciteitsmarkt, waarbij Distributie en Productie uit elkaar werden gerukt. De veranderende werkomstandigheden zorgden voor een verval van de verbondenheid tussen werkmakkers.

Dit had een nefaste uitwerking waarbij verschillende sportafdelingen het moeilijk kregen.

 

Zo verdwenen in 2002 de Culturele afdeling, in 2005 de Squashclub, Boogschutters, de Surfclub, de Sportvissers en Sportabel.

 

Eveneens ontstond door de splitsing van Electrabel de noodzaak om een naamverandering van de Vriendenkring door te voeren. Aangezien de leden van de Vriendenkring nu behoorden tot verschillende maatschappijen werd de naam omgevormd tot “Koninklijke Vriendenkring Energiebedrijven Gent”.

Deze naam werd meteen opgenomen in de vernieuwde statuten naar aanleiding van de nieuwe wet op de v.z.w.’s.

 

Wegens een verminderende interesse van jeugdige leden werd eveneens de Boldersclub opgerold in 2009.

Op de vroegere buitenbolbanen werden twee petanquebanen aangelegd.

De binnenbolbanen in het schutterslokaal werden eveneens aangepast tot petanquebanen zodat ’s winters binnen kan gespeeld worden.

 

De Petanquebanen

 

Wat het gebruik van de velodroom betreft werd die na een periode van onbruik herontdekt door Oscar Daemers, toemalige uitbater van “Het Kuipken” van Gent.

Trainingen voor de Wereldkampioenschappen en Olympische spelen werden steevast uitgevoerd op de velodroom van Langerbrugge die in betere staat was dan de baan van Rocourt. Renners met naam zoals Patrick Sercu, Leo Sterkx, Willy De Bosscher e.d. kwamen zich hier voorbereiden.

De laatste hoogdagen van de velodroom vonden plaats tijdens het Pinksterweekend van 6, 7 en 8 juni 1981 met de Belgische baankampioenschappen.

 

 

 

Belgische baankampioenschappen Pinksterweekend 1981

 

Verder werden nog kampioenschappen verreden tot 1985. Hierna begon stilaan het verval van de betonnen constructie.

 

Het Bestuur van Monumenten en Landschappen vond dat de velodroom beschermd moest worden omdat het een zeldzaam overgebleven voorbeeld was van een betonnen openluchtvelodroom uit het interbellum. Ook al omdat het een deel was van het architecturale oeuvre van Dhuicque.

 

Volgens Electrabel zou de grondige herstelling van de piste meerdere miljoenen euro’s kosten, terwijl de Belgische Wielerbond geen interesse meer betoonde voor het gebruik ervan.

Door de vallende brokstukken van de betonnen constructie bestond een reëel gevaar voor spelende kinderen, wandelaars en vrijende koppeltjes.

 

BWB-coach en ex-renner Patrick Sercu verklaarde dat de piste door zijn steile hellingen alleen nog in aanmerking kon genomen worden voor wielerwedstrijden achter zware motoren.

In 1996 werd dan ook overgegaan tot sloop van de velodroom.

 

 

 

 

Na de sloop werd het terrein volledig gesaneerd en het voetbalterrein terug aangelegd.

 

De “Cité Jardin Herryville” met inbegrip van het “Casino” werd geklasseerd als dorpsgezicht en integraal verkocht aan particulieren.

 

Vandaag, in 2010 heeft de v.z.w. Koninklijke Vriendenkring Energiebedrijven - Gent nog 17 onderafdelingen:

Badmintonclub, Bitbyters (computerclub), Bowlingclub Lochristi, Bowlingclub Meetjesland, Dansclub, Duivenliefhebbers, Karabijnschutters, Liefhebbersvoetbal, Mini-voetbal “Pegasus”, Motor-Unit (motorrijdersclub), Petanqueclub, “Progendis” Fotoclub, Seniorenclub,

St-Eligiusgilde, Tennisclub, Whist-Drive (kaartersclub), Wielertoeristen.

 

De Raad van Bestuur organiseert nog jaarlijks een nieuwjaarsgebeuren met aandacht voor de Gentse monumenten  en musea, gevolgd door receptie, een culturele reis in vervanging van de ter ziele gegane Culturele Afdeling, evenals een koffietafel voor de gepensioneerden in vervanging van het, door de directie, afgeschafte Feest van de Gepensioneerden dat doorging in de Brielpoort te Deinze.

 

Omdat goede menselijke relaties van een zodanige uitzonderlijk belang zijn, niet alleen voor de goede gang van zaken in het bedrijf maar tevens voor het welzijn en het welgevoelen van alle personeelsleden in het opbouwen van een evenwichtig en gelukkig psychologisch leefmilieu, kan de verdienste van de Vriendenkring en van de mensen die er zich voor inzetten niet hoog genoeg worden aangeslagen.

Wat zij gepresteerd hebben en nog presteren, was en is nog steeds belangrijk en ik zou zelfs durven zeggen “onvervangbaar” bij het verwezenlijken van een werkgemeen­schap waar gelukkige mensen nog vreugde beleven aan het uitvoeren van een gemeenschappelijke taak."